Na de operatie

Veel donoren voelen zich na de operatie erg moe. Dit is vaak niet alleen te wijten aan de operatie zelf, maar ook aan alle spanningen en emoties van de periode voor de transplantatie. De operatie zelf kan een aantal fysieke klachten veroorzaken. De meeste verdwijnen na een paar dagen. Na één tot drie maanden is de donor volledig hersteld.

De eerste dagen

De operatie kan verschillende klachten bij de nierdonor veroorzaken.

  • De eerste dag(en) na de operatie heeft de donor vaak last van de narcose. Dit kan zich uiten in misselijkheid en braken;

  • De donor kan wondpijn en pijnlijke schouders ervaren. Pijnlijke schouders zijn een gevolg van het koolzuurgas dat voor de operatie in de buik wordt gebracht. Koolzuurgas blaast de buik wat op, zodat de chirurg beter bij de nier kan komen. Het gas rekt het middenrif op en geeft daardoor zenuwprikkeling. Dit zorgt voor pijn in de rug en schouders.

De klachten van de donor verdwijnen snel in de dagen na de operatie. Medicijnen kunnen de klachten verminderen.

Na de operatie heeft de nierdonor een infuus en een urinekatheter. De katheter en het infuus worden meestal 1 à 2 dagen na de operatie verwijderd. Op het moment van de operatie is de donor in een goede lichamelijke conditie. Daarom zal het herstel snel optreden.

Vrijwel elke donor kan het ziekenhuis 3 à 5 dagen na de operatie verlaten. De donor mag naar huis als er geen complicaties optreden en er geen problemen zijn met eten, drinken en urineren.

Uit het ziekenhuis

Na de ingreep mag de nierdonor al snel weer normale bezigheden oppakken. Ook gewoon douchen behoort dan weer tot de mogelijkheden. Gemiddeld zijn donoren één maand na de operatie voor 80% hersteld. Volledig herstel kan één tot drie maanden duren. Het is voornamelijk het ongemak van de genezende operatiewond die stijfheid en soms napijn kan geven. Het is goed om hier van tevoren rekening mee te houden.

Soms heeft de donor nog extra hulp nodig met de dagelijkse persoonlijke verzorging. In dat geval kan een wijkverpleegkundige of de thuiszorg langskomen. Dat regelt het transplantatiecentrum voor u.
Voor informatie over huishoudelijke hulp kan de donor terecht bij het wmo-loket van de gemeente. Hiervoor is een speciale brochure ontwikkeld: 'Kan ik als donor huishoudelijke hulp bij mijn gemeente aanvragen?
Gemeenten komen niet vaak in aanraking met een aanvraag van een donor. Als dat zo is, kunt u de Wmo-medewerker wijzen op de brochure 'Een orgaandonor voor mijn loket. Wat nu?' U kunt ook contact opnemen met het maatschappelijk werk van het transplantatiecentrum.

Na de operatie vindt vaak een evaluatie van de donatieprocedure plaats. Ook psychosociale kanten komen dan aan bod. Desgewenst kan de donor ook na de donatie nog bij maatschappelijk werk terecht. Donoren worden jaarlijks gecontroleerd op nierfunctie, urine en bloeddruk. Deze controle kan zowel in het transplantatiecentrum als bij de huisarts plaatsvinden.

Meer informatie over de nazorg in het Erasmus Medisch Centrum is te vinden op de website van het Erasmus MC.